Het is een verrassing dat Marion en Bert in november met het idee komen om met vieren in de kerstvakantie een paar dagen naar St. Aubi-sur-Aire te gaan. De enthousiaste verhalen van Bert na de wandelweek afgelopen zomer in Lotharingen en het geweldige verblijf in Domaine de Hellebore hebben Marion nieuwsgierig gemaakt naar die wel heel exclusieve Chambre d’Hôtes van Elizabeth en JeanMarie Pothier. Het laat zich raden: ook Marion wil zich wel eens laten verrassen door de culinaire hoogstandjes van de Franse “Haute Cuisine” van Elizabeth Pothier, die al enkele jaren geleden door Jan van de Ven met de eretitel “Madame Bocuse” is aangesproken. Op 8 december komen Bert en Marion naar Loon op Zand waar Kitty voor het avondeten heeft gezorgd. Zij voelt zich geen concurrente van Madame Bocuse, maar kookt overigens ook heerlijk!! De agenda’s worden naast elkaar gelegd en er wordt een datum geprikt. Als het schikt in Frankrijk worden 2,3 en 4 januari 2006 vastgelegd. Één enkel telefoontje is voldoende om op deze dagen ons verblijf in St. Aubin-sur-Aire te regelen. Elizabeth en Jean-Marie verheugen zich er ook op dat we weer komen en wij natuurlijk ook.

Als de dag van vertrek nadert, begint het bij Kitty toch te kriebelen. De winter doet zijn intrede en grote hoeveelheden sneeuw geven haar een wat onbestendig gevoel. Met Kerstmis en net voor Nieuwjaar worden we verrast door een witte wereld. In Frankrijk op de autoweg van Nancy naar Toul is het een chaos, blijkt uit een foto in de krant. Kitty is er niet gerust op. Gelukkig treedt de dooi snel in en zorgt de regen ervoor dat alle ongemakken snel verdwijnen. Toch nog maar even mailen met Undine en Jean-Paul in Tréveray. Zij berichten ons dat het in Lotharingen dooit en regent. Gelukkig maar!

Nog met de naweeën van oudjaar en de start van het nieuwe jaar vers in het geheugen, melden zich Bert en Marion op 2 januari volgens afspraak om 11.00 uur op Andromeda 2 in Loon op Zand met de beste wensen. Eerst nog even koffie drinken en dan de auto inpakken. Alles staat klaar en dus gaan we snel op weg. Via Eindhoven en Maastricht rijden we zuidwaarts. In de Ardennen geen problemen met sneeuw: er ligt maar weinig!! Voor we de grens met Luxemburg bereiken geeft Bert aan om vanaf Arlon richting Longwy te rijden. In de zomer hebben we ook deze route gekozen om langs Verdun de Maas stroomopwaarts te volgen naar Commercy en St. Aubi-sur-Aire. De ervaring van toen gaf al aan dat daarmee heel wat kilometers minder gereden werden, een dikke 100 kilometer, dan de route langs Metz en Nancy. Dus de moeite waard!! We besluiten om bij de eerste gelegenheid voorbij Longwy een koffiepauze in te lassen. Daar waren we wel aan toe. In Longuyon wordt halt gemaakt en gaan we op zoek naar een kopje koffie. In Bar L’Europe aan de Rue de Sète strijken we neer in hetzelfde café, als de afgelopen zomer. De koffie is er goed en je kunt er fatsoenlijk naar het toilet. Alles komt hier weer vertrouwd over.

Weer op weg komen we even verderop door Étain. Naar Verdun is het nog slechts een veertigtal kilometer. Toch besluiten we om geen bezoek te brengen aan het Champ de Battaille en het Ossuaire de Douaumont. Hier zijn we tot nu toe steeds even aangegaan. Van Verdun rijden we door de buitenwijken met de grootschalige supermarkten en bouwmarkten zuidwaarts, soms direct langs de meanderende Maas dan weer naast het daaraan parallel gelegen Canal de la Marne au Rhin. Zo rijden we door St. Mihiel een bescheiden Maasstadje met 5300 inwoners. Het is de geboorteplaats van de belangrijkste Renaissance beeldhouwer van Lotharingen: Ligier Richter (1500-1567). In die tijd beleefde St. Mihiel, evenals zovele andere kleine Lotharingse handelssteden, een grote economische en culturele opbloei. St. Mihiel was toen een centrum van lakenhandelaars, edelsmeden en beeldhouwers. Het atelier van Ligier Richter genoot een grote faam in de wijde omtrek. Minder fortuinlijk was het lot van de stad in 1914 1918. De stad was vrijwel de hele oorlog in Duitse handen, waardoor Verdun van zijn toegangsroutes langs de Maas was afgesneden. Het waren de Amerikanen die hier tussen 12 en16 September 1918 in hun strijd tegen de Duitsers zware verliezen geleden hebben. Van hen liggen er 4153 begraven op het St. Mihiel American Cemetery van Thiaucourt.

Rondom een in de 8e eeuw gestichte Benedictijnenabdij is St. Mihiel ontstaan. De massieve westtoren van de abdijkerk St. Michel, van oorsprong Romaans, werd aan het eind van de 17e eeuw in Barokstijl verbouwd. Achter deze toren bevindt zich een ruime, lichte Gotische hallenkerk met tal van Renaissanceelementen. In de eerste kapel van de zuidelijke zijbeuk staat een beeld van een in zwijm vallende Maria, oorspronkelijk onderdeel van een calvarieberg van Ligier Richter. In het koor trekt het 18e eeuwse preekgestoelte de aandacht. Een van de bekendste werken van Ligier Richter bevindt zich in de Église St. Étienne in het oostelijke stadsdeel. Het gaat hier om een graflegging, aan het eind van de Middeleeuwen een zeer geliefd beeldhouwthema in deze contreien. Het is het laatste grote werk van Ligier Richter, voordat hij om geloofsredenen de wijk nam naar Génève. Nog een keer heeft hij hier heel realistisch het hem zo vertrouwde onderwerp uitgebeeld, met gevoel voor dramatiek maar zonder pathetiek. Behalve deze twee kerken staan in St. Mihiel nog wat aardige huizen overeind, van gotiek tot art nouveau. Opvallend is ook de in het centrum gelegen overdekte markthal.

Als we het stadje door zijn, komen we langs we het Centre de détention. Grote, hoge hekken met prikkeldraad geven aan dat een uitbraak niet gemakkelijk is. Nog even en we zijn in St. Aubi-sur-Aire. Bij Lérouville de doorgaande weg verlaten en over de D12 naar Domaine de Hellebore, waar we opnieuw allerhartelijkst worden begroet door Elizabeth en JeanMarie Pothier. Het is of we thuiskomen. Alles is meteen weer heel vertrouwd. Even een welkomstdrankje en dan de kamers opzoeken. Bert en Marion nemen de kamer aan de voorzijde, Kitty en Charles de kamer met het hemelbed aan de achterzijde. De voor hen zo vertrouwde kamer is bezet. Jammer! Slapen blijkt hier iets moeilijker als je de ruimte in bed gewend bent. Punctueel om 19.30 uur gaan we aan tafel. Een verrassing wat het avondeten zal bieden. De keuze voor het aperitief met mirabel is niet zo moeilijk. Voorgerecht gerookte zalm, hoofdgerecht kalfsvlees met rijst. En voor het slapen gaan de onvermijdelijke koffie (voor Marion thee) met een pittige mirabel eaudevie. Maar toch nog even de benen strekken voor we het bed opzoeken.

We bespreken het plan voor de volgende dag. Nancy gaat het worden en de weersvooruitzichten zijn goed. Nog even slapen en dan om 8.00 uur uit de veren. Douchen en aan tafel. Tegen 9.00 uur rijden we dan naar Nancy over de RN4. Waar op de autoweg een paar dagen geleden nog chaos was, is hiervan niets meer te zien: alle sneeuw is verdwenen. Bij binnenkomst volgen we de borden met “centrum”, een route die we na een aantal bezoekjes aan de stad al bijna blindelings weten te vinden. We parkeren de auto in een parkeergarage in de Rue du Grand Rabbin Hagenauer en staan hier in hartje Nancy op een steenworp van het station. De stad maakt geen rommelige, chaotische indruk. Het centrum is een schoolvoorbeeld van 18e eeuwse stadsplanning, goed en gaaf behouden en onderhouden. Verrassend is de gaafheid van het Place Stanislas in het hart van Nancy, dat voor de Tour de France 2005 een facelift gekregen heeft.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Nancy met 104.000 inwoners is de hoofdstad van het departement Meurthe-et-Moselle. Nancy beschouwt zichzelf graag als het kloppend hart van Lotharingen. Die pretentie ontleent de stad vooral aan drie bloeiperioden in het verleden: de 16e eeuw, toen de Lotharingse hertogen op het toppunt van hun macht stonden, de 18e eeuw, toen de gewezen Poolse koning Stanislas Leszczynski hier regeerde en tenslotte de tijd tussen 1871 en 1918 toen Nancy de hoofdstad van NO-Frankrijk was. Het is vooral de 18e eeuw die zijn architectonisch stempel met imposante gebouwen rondom de Place Stanislas heeft gezet. De stad Nancy straalt de allure uit van een residentie met de imposante Place Stanislas, parken, boulevards, chique hotels, kerken, paleizen en winkels. Voor ons betekende dit dat we aan een dag om door de stad te dwalen te weinig hadden.

Vanuit de Rue Hagenauer lopen we richting centrum. We weten intussen de weg en hebben geen routekaartje nodig. We slaan de Rue St. Thiebaut in en staan meteen bij de Église St. Sebastien gelegen aan het Place Mengin. De bouw van deze kerk is begonnen in 1593 als kapel in de “nieuwe” stad onder Karel III, hertog van Lotharingen. In 1682 werd begonnen met de bouw van een toren en het duurde tot 1719 tot de inmiddels in verval geraakte kapel vervangen werd voor de huidige kerk. De architect was JeanNicolas Jenneson (16861755). Het dak werd in 1725 aangebracht en het geheel werd voltooid in 1731 en ingewijd door de bisschop van Toul, Scipion Jérôme Bégon. Ten tijde van de Franse revolutie raakte het kerkgebouw in verval en deed dienst als onderdak voor krankzinnigen en later als opslagplaats voor stro. Na het concordaat werd het gebouw teruggegeven aan de religie. In de loop van de 19e eeuw zijn er nog verschillende veranderingen aangebracht en de renovatie van de voorgevel heeft nog niet zolang geleden plaats gevonden.

Voor de kerk ligt het Place Mengin, waar vandaag de gebruikelijke gezellige markt is met allerlei kraampjes voor textiel en leer. De groenten, fruit, vlees en viskramen zijn te vinden in de aan dit plein gelegen grote markthal. Hier heerst op deze ochtend een gezellige bedrijvigheid en we vergapen ons aan de vele inheemse en regionale producten. De slagers met hun voorschoot met typische eenarmige schouderband prijzen hun vleeswaren aan naast de overvloedige, weelderige groentestalletjes met typische streekproducten als artisjokken, knolletjes (navet) en topinambour, evenals de scherpe doordringende geur van de verschillende geiten en schapenkaas. Hier is Frankrijk op zijn mooist. Door de verbouwing van het centrale middenstuk moeten we de zoute, zilte zeelucht van het in het ijs uitgestalde zeebanket, dat de neusvleugels prikkelt, missen. Bij een volgend bezoekje zal deze overdekte markt zeker weer in zijn oude glorie gerestaureerd zijn.

We komen uit in de Rue St. Dizier en gaan linksaf. Hier treffen we op nr. 24 het Immeuble de la Société Générale, een Art Nouveaux huis. Nancy staat ook bekend om haar Art Nouveaux huizen, allen gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat ze ietwat moeilijk te vinden zijn. De meeste panden zijn immers gebouwd in de periode 1919 1930 en bevinden zich daarom buiten het stadscentrum. Dit pand heeft als architecten Georges Biet en Eugène Vallin en valt op door de verticale lijnen van het in een metalen structuur gevatte pand, een verticale uitstraling die aan de neogotiek refereert. De eerste straat rechts slaan we in. Dit is de drukke, chique winkelstraat Rue St. Georges. Ook hier op nr. 7bis een Art Nouveaux huis. Toch verraadt het pand op het eerste gezicht nog weinig art nouveau. Het is de eerste opdracht van Fernand César (1901). Binnen bevindt zich een immens glaskunstwerk 230 m2 van glazenier Jacques Grüber. In het midden het monogram van de opdrachtgever, de bank Crédit Lyonnais.

Even verderop linksaf de Rue des Dominicains in. Hier krijgen we voor het eerst zicht op de vergulde hekwerken die toegang geven op het Place Stanislas. In deze straat passeren we op nr. 24 het leegstaande pand dat een toebehoorde aan Laura Ashley, met een juweeltje van een gevel uitgevoerd in houtsnijwerk. Dit werd in 1907 besteld door winkelier Fourrier Goudchaux. Eugéne Vallin werd destijds voor deze pui met weelderige bloemmotieven benaderd. Op de hoek van de Rue des Dominicains betreden we door het sierlijke vergulde smeedijzer hekwerk van Jean Lamour het Place Stanislas Dit rechthoekige plein, 124 bij 106 m, is de briljante kern en trots van Nancy, zeker na de facelift in 2005. Het plein zelf wordt gedomineerd door het standbeeld van Stanislas, de laatste hertog van Lotharingen en van Poolse afkomst. Stanislas was een groot kunstliefhebber en aan hem heeft Nancy de fraaie binnenstad te danken. De architect Emmanuel Héré heeft er duidelijk meer van weten te maken dan een doorsnee place royale van een Franse provinciestad. We zijn nu aan de zuidkant van het plein, dat hier over de hele lengte afgesloten wordt door de monumentale gevel van het Hotel de Ville. Bijzonder in het interieur van het stadhuis zijn het trappenhuis met een fraaie smeedijzeren leuning uit een stuk van Lamour en de Salon Carré met plafondfresco's van Girardet, waarop Stanislas omringd wordt door muzen, gratiën en putti.

Aan de west en oostkant van het plein staan vier identieke, paleisachtige bouwblokken ('pavillons'), twee aan iedere kant. Links bij opgaan van het Place Stanislas vinden we in de noordwest hoek het Musée des Beaux Arts, het museum voor schone kunsten. Hier is de belangrijkste schilderijencollectie van Noordoost Frankrijk ondergebracht. De grote zaal op de begane grond is voor het grootste deel gewijd aan de Franse schilderkunst van de late 19e en het begin van 20e eeuw (impressionisme, symbolisme), met werk van o.a. Bonnard, Dufy, Manet, Marquet (de Seine bij de Pont Neuf in Parijs), Manguin, Matisse, Signac. De voorafgaande romantische stijlperiode wordt vertegenwoordigd door een ruim bemeten Delacroix, de dood van Karel de Stoute bij de slag van Nancy voorstellend. Op de eerste verdieping hangen o.a. doeken uit de Italiaanse School (14e t/m 16e eeuw), de Hollandse en de Vlaamse school (16e /17e eeuw).

Het noordoostelijke paviljoen is sinds 1919 stedelijk theater. De twee noordhoeken van de Place Stanislas worden elegant afgerond door twee sierlijke fonteinen: links Neptunus en rechts Amphitrite, geplaats tussen rijk vergulde smeedijzeren hekken van Lamour. Frappant is, dat de bebouwing aan de lange noordzijde van het plein met opzet laag gehouden is, waardoor het oog gedwongen wordt naar de ArcdeTriomphe, gelegen aan het einde van de korte Rue Héré. Deze triomfboog is geïnspireerd op de triomfbogen van Septimius Severus en Constantijn in Rome. De poort werd gebouwd op de plek waar zich voordien een smalle doorgang in de wallen bevond, de enige verbinding tussen het middeleeuwse Nancy en de 16e eeuwse stad van hertog Charles III. In 1999 werd de boog met financiële steun van de Unesco gerestaureerd.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Het is tijd voor een kopje koffie. Aan de noordzijde van het Place Stanislas, op de hoek van de Rue Heré, zoeken we een plaatsje in het Caférestaurant. Even tijd voor ontspanning. We lopen daarna onder de triomfboog door en komen zo op de Place de Ia Carrière. In de 16e eeuw was dit een toernooiveld dat aan de lange noordoostkant van het middeleeuwse Nancy was aangelegd. Het werd door Stanislas en Héré in hun plannen voor stadsvernieuwing betrokken. De lage muurtjes aan weerszijden van de promenade kwamen in de plaats van de vroegere houten omheiningen van het speelveld. Stanislas liet Héré de bestaande bebouwing voorzien van nieuwe gevels in een uniforme stijl. Nu zijn het statige herenhuizen waarin dokters en advocaten spreekuur houden.

Aan het einde van dit 293 m lange plein met zijn dubbele rij linden komen we uit op een halfrond plein met het Palais du Gouvernement (1753-1757) dat aan beide zijden halfcirkelvormige colonnades heeft. Hier zetelde eens de intendant, de vertegenwoordiger van de Franse koning. De rechter colonnade geeft toegang tot het Parc de Ia Pépinière, de linker tot het middeleeuwse Nancy, of wat daar van over is. Wij kiezen voor de doorgang ter rechter zijde en staan plotsklaps in het uitgestrekte Parc de Ia Pépinière. Stanislas liet het stadspark in zijn laatste levensjaren aanleggen tussen de wallen van de oude stad en weilanden langs de Meurthe. De rechthoekige indeling uit Stanislas' tijd is grotendeels intact gebleven. Aan onze linkerhand ligt een rosarium. Op de kruising van de twee hoofdassen, in het hart van het park, is een kleine dierentuin en een grote fontein. Het voorste stuk werd in de 19e eeuw opnieuw ingericht in Engelse landschapsstijl. Hier staat reusachtige bomen.

In de zuidwest hoek net voor het hekwerk met de fontein met Amphitrite gaan we naar rechts en lopen achter de triomfboog door de oude binnenstad in. Hier op het Place de Vaudémont komen we langs het monument van Jacques Callot (15931635), de beroemde Franse graveur. Callot, afkomstig uit Nancy, was een der productiefste etsers en tekenaars, die door zijn veelzijdigheid grote invloed heeft gehad op de etstekenkunst in Europa. Beroemd zijn zijn vele etsjes met figuren uit de Commedia dell' Arte en tekeningen van paarden, maar ook zijn serie “Grandes miseres de la guerre”, naar aanleiding van de verovering van Lodewijk XIII van zijn geboortestreek Lotharingen. Hij maakte ook zeer grote prenten van de belegeringen van Breda en La Rochelle. De bekendste kaart voor ons is die van het Beleg van Breda, Tabula Obsidionis Bredanae, door de Spaanse bevelhebber Ambrosio Spinola tussen 1624 en 1625. Het betreft een ets op zes bladen, in 1628 gemaakt door Jacques Callot. Deze kaart, waarop ook Bouvigne is ingetekend, is vervaardigd in opdracht van de bezetter: Infante Isabella Clara Eugenia, de Spaanse landvoogdes in de Zuidelijke Nederlanden, gedrukt door Plantijn in Antwerpen en uitgegeven bij Israel Silvestre in Parijs. Op de kaart zie je linksonder Jacques Callot. Naast hem staat Gian Francesco Cantagallina, met een passer in de hand. Tijdens het beleg was hij Spinola's ontwerper van de belegeringswerken. Op basis van de gegevens van Cantagallina maakte Callot de kaart. Hij was zelf namelijk niet ter plaatse; hij bezocht Breda pas ná de overgave in oktober 1625.

Hier kom je in het opvallende straatje Rue des Marechaux. Het straatje bestaat alleen uit betaalbare cafés en restaurantjes. Het is grappig te zien hoe Frans en Duits elkaar hier vinden. Alle tafeltjes zijn gedekt en wachten op dit middaguur op het personeel van de burelen in de omgeving, dat hier neerstrijkt voor hun lunchpauze. Aan het einde van het straatje markeert de Place Jeanne d’Arc het begin van de oude stad. Uiteraard ook hier weer een passend standbeeld van Jeanne dÁrc hoog gezeten op haar ros. Een herinnering aan het feit dat zij op haar tocht naar Orléans door de Lorraine trok. Door de Rue de la Fayette gaan we naar het Place St. Epvre met de gelijknamige kerk Église St. Epvre. In deze basiliek zitten glas in lood ramen die geschonken zijn door Frans Josef van Oostenrijk. Helaas is de basiliek gesloten in verband met een renovatie. Op dit plein vinden we ook het ruiterstandbeeld van René II, hertog van Lotharingen.

We lopen door naar de Grande Rue en staan meteen bij het Ancien Palais Ducal met als pronkstuk een portaal uit 1512, een charmante mengeling van flamboyante gotiek en renaissance. In een nis boven de toegang zit 'le bon duc Antoine' te paard. Dit portaal is zo'n beetje het enige wat overgebleven is van de verfraaiingen die hij liet uitvoeren. In het paleis bevindt zich nu het Musée Historique Lorrain met een interessante collectie. Op de begane grond passeren prehistorie en Middeleeuwen de revue. De eerste verdieping is gewijd aan de 16e, 17e en het begin van de 18e eeuw. De Salle des Cerfs (hertenzaal) is de grootste ruimte van het paleis en werd vroeger gebruikt voor feesten en belangrijke bijeenkomsten zoals die van de Lotharingse standenvergadering. Hier is de geschiedenis van het Huis Lotharingen gedocumenteerd, van hertog René II tot Leopold I. Bijzondere aandacht verdienen vijf fraaie tapijten uit Doornik (1510), oorspronkelijk hertogelijk eigendom. Verderop bevinden zich in twee kleine zaaltjes de hoogtepunten van de Lotharingse beeldende kunst uit de 16e eeuw. AIlereerst een zeer rijke collectie kopergravures en etsen van Jacques Callot (15921635), befaamd om de wijze waarop hij de verschrikkingen van de Dertigjarige Oorlog (16181648) in beeld bracht. Ook Georges de Ia Tour, de Schilder van het kaarslicht (15931652), is hier present met twee beroemde doeken: 'De vrouw met de vlo' en 'De ontdekking van het lichaam van St. AIexius'. Op de tweede verdieping komen Stanislas, de Franse Revolutie en Napoleon aan bod. Ook is er een klein zaaltje met documenten uit het leven van Lotharingse kunstenaars: de gebroeders De Goncourt, het schrijversduo ErckmannChatrian, Barrès, Gallé. De derde verdieping loopt van 1815 tot en met de Eerste Wereldoorlog. Terug op de begane grond is bij de uitgang het Musée de Pharmacie.

We besluiten om vanaf hier onze sightseeing te beëindigen. De dames willen nog “even” in de stad boodschappen doen. Maar eerst is het tijd om een hapje te eten. Op het Place St. Epvre vinden we een Turks eethuis. Hier strijken we neer voor een broodje Kebab. Weer op krachten kunnen we nu de rest van de middag door de stad dwalen. Marion en Kitty hebben bij onze rondgang door Nancy hun ogen goed de kost gegeven en weten nu precies waar ze hun slag moeten slaan. Bert en Charles worden gebombardeerd tot pakezel en zeulen met de tassen door de drukke straten. Laarzen, schoenen, jas en cadeautjes, voor alles draagtassen! Tot slot nog even een uitstapje naar het grote warenhuis Le Printemps vlak bij het station. Op het Place Maginot lopen we langs het monument “La Lorraine et l'Alsace retrouvée”. Hier scheiden even onze wegen: de dames gaan apart op stap. Op het afgesproken tijdstip treffen we elkaar weer.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Nog even een drankje nuttigen in het overdekte winkelcentrum en daarna terug naar de auto om de binnenstad te ontvluchten. De borden Toutes Directions moet ons bij het verlaten van de parkeergarage de weg wijzen. Maar al gauw zijn we aangewezen op het richtingsgevoel. Vanmorgen goed opletten heeft geleerd om dicht in de buurt van de spoorlijn te blijven en zo komen we uit waar we moeten uitkomen Over de toegangsweg bereiken we haast ongemerkt de autoweg richting Toul. We zijn weer op bekend terrein en keren terug naar St. Aubi-sur-Aire. Madame Pothier heeft opnieuw geweldig haar best gedaan: Flammenkuche, een typisch gerecht uit de Elzas, Tournedos en een niet te versmaden kaasplankje. De koffie is traditioneel omlijst met een Mirabelle. Even nog een ommetje door het uitgestorven dorpje en als we onder de wol kruipen weten we dat de dag van morgen ons terug naar Tréveray zal brengen, waar we een wandeling in de omgeving gaan maken en een bezoekje zullen brengen aan Undine en Jean-Paul.

Rond de klok van 8.00 uur kruipen we onder de wol vandaan. Vannacht in het wel wat smalle bed niet bepaald rustig geslapen. Opstaan, douchen en om 8.30 uur aan het ontbijt. Een lekker croissantje met confiture de mirabelles wil er wel in. Plan de campagne voor vandaag, want na het wandelen moeten er nog boodschappen gedaan worden in Commercy. De verschillende lijstjes met bestellingen en wensen moeten worden afgelopen. Maar eerst naar Tréveray, dat we als startpunt van onze wandeling hebben gekozen. Door de binnenlanden via MarsonsurBarboure en de D140 en D194 rijden we naar Tréveray, gelegen in het brede dal van de Ornain. Hier parkeren we de auto meteen aan het sluisje in het Canal de la Marne au Rhin, net voor de eerste huizen van Trevéray waar het bruggetje over de sluis het dorp ingaat.

Tréveray is een langgerekte dorp, gelegen aan de doorgaande D966 van Ligny-en-Barrois naar Gondrecourt-le-Château. Het dorp ligt op de westelijke oever van de Ornain en direct aan het Canal de la Marne au Rhin. De eerste vermelding als "Trevereyum" stamt uit 1189 en komt van de Latijnse naam Treverius. Het behoorde tot het graafschap Ligny, dat in bezit was van de familie Luxembourg. Kardinaal Pierre de Luxembourg wordt als weldoener van deze gemeente beschouwd en heeft hieraan een in 1863 opgericht monumentale fontein te danken. Hier werd ook Baron Pierre-Paul Nicolas Henrion de Pansey (1742-1829) geboren, rechtsgeleerde, onder Napoleon Minister van Justitie en in Parijs begraven op het kerkhof Monparnasse. Ook de bekende Franse organist van de kathedraal van Toul Joseph Oury (1852-1949) was afkomstig uit Tréveray. Het dorp is bekend vanwege zijn ijzerindustrie. Gietvormen en ijzerproducten werden naar Parijs, Rouen, Picardië en de wapenfabriek van Maubeuge geëxporteerd. In 1988 is de huidige fabriek door de groep Hachette et Driout (St. Dizier) overgenomen en gemoderniseerd.

Vanaf het sluisje nemen we het asfalt langs het Canal de la Marne au Rhin in zuidelijke richting. Westwaarts stroomt in het brede dal de Ornain. Het pad volgend passeren we na goed een kilometer bij Les Mazelles opnieuw een sluisje. Het water van het Canal de la Marne au Rhin heeft op dit traject een aardig verval dat met de verschillende sluisjes wordt opgevangen. Verderop bij Aviot maakt het kanaal een ruime bocht naar het oosten langs de steile, boomrijke helling van de Côte de Là. Hier zoekt de Ornain ook meanderend haar weg. Zo komen we aan de D166 van St. Joire naar Reffroy. We nemen de brug over het Canal de la Marne au Rhin en de Ornain en lopen St. Joire binnen over de spoorlijn.

St. Joire ontleent zijn naam aan St. Joris, patroonheilige van de parochie. Het gebied van St. Joire is al vanaf het Neolithicum bewoont. Gelegen vlakbij de Gallo-Romeinse stad Nasium (Naix-aux-Forges), die in de 2e eeuw rond de 15000 inwoners heeft gehad, komt het ook voor op de kaart van Peutinger aan de Romeinse weg van Nasium naar Grannus (Grand in de Vogezen). In 1586 komt SaintJoire onder het rechtsgebied van Andelot. In 1636 wordt het dorp tot twee keer toe verwoest: Een eerste keer op 22 juli 1636 door een deel Lotharingse cavalerie op bevel van de Heer van Hagecourt, kapitein in dienst van Duc Charles IV. De Lotharingse ruiters beschouwen het dorp als vijandig gebied behorend bij Frankrijk. Een tweede keer daags voor Kerstmis van hetzelfde jaar volgt de bezetting van het dorp door Zweedse troepen in dienst van Frankrijk. Deze bezetting duurt veertig dagen. In totaal worden 53 huizen, de hoogoven, de werkhal en de smederij volledig verwoest, evenals een deel van de kerk en het kasteel. Volgens Dom Pierre Froussote, monnik en stadhouder van de l'Abbaye des Vaux en Ornois, blijven slechts 40 inwoners gespaard, die geen vee, paarden en graan meer hebben. Als in 1790 de departementen gevormd worden, komt St. Joire bij het departement Meuse en dus bij Lotharingen.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Door de Grand Rue lopen we naar de doorgaande weg van Grondrecourt naar Naix-aux-Forges, de D966. Wat eens levendige, typisch Frans dorp moet zijn geweest met veel bedrijvigheid, is nu zo goed als uitgestorven. Toch is er nog enig teken van leven: het postkantoor is open! We verlaten even de Grand Rue om door de Rue d’Église langs de Église St. George te lopen. Enkel grafstenen sieren de zijgevel. We komen weer in de Grand Rue en hebben bij het verlaten van het dorp zicht op de oude watermolen, nu nog wel bewoond maar duidelijk vervallen. Hier was eens een leerlooierij gevestigd. Zo komen we op de drukke D966 en kiezen voor de richting naar Laneuville. We passeren een wegkruis en bereiken het gehucht Laneuville, waar het riviertje de l’Ormançon samenvloeit met de l’Ornain.

Hier vinden we de restanten van wat eens de ijzergieterij Société des chéneaux Bigot-Renaux moet zijn geweest, die van groot belang voor Laneuville en St. Joire was. Al in 1794 is hier een hoogoven, een smederij en een door water aangedreven hamerinstallatie. In de eerste helft van de 19e eeuw wordt de ijzergieterij eigendom van de familie BiaudosCastéja en later van de familie Sauton. Er komen nog werkplaatsen bij, maar ook opslagplaatsen voor steenkool en arbeiderswoningen. Tussen 1875 en 1890 gaat het bedrijf over in handen van de Société BigotRenaux die zich richt op het vervaardigen buizen, dakgoten en dakvensters. In 1954 werken er nog 200 arbeiders, maar de fabriek sluit in de jaren 1960 1970. Wat rest van de fabriek zijn de ruïnen, de kapel die in 1954 werd gewijd, arbeiderswoningen, badhuis, feestzaal, sportterrein en school. Nu is het gebouw in gebruik door de Boerenbond.

Over de brug van de l’Ormançon slaan we links af de D31 in. Het asfalt verlaat het dal van de Ornain en klimt over een lengte van 2 kilometer naar een hoogte van goed 300 meter. Het eerste stuk verloopt tussen de bossen en waar het landschap open wordt bereiken we bij Cheuchi een driesprong. Hier gaat de D31 westwaarts naar het 3 kilometer verder gelegen Hévilliers. De D140 loopt met een ruime bocht terug het dal in naar Tréveray. Wij volgen deze D140 op het eerste stuk noordoostwaarts. Waar het asfalt tussen de Côte de la Chalaide en de Côte de Bioncourt afdaalt naar Tréveray slaan we linksaf pal naar het noorden. De 200 meter verder gelegen straalverbindingsmast is hierbij een goed oriëntatiepunt. We lopen hieraan voorbij om vervolgens even verderop door het bos over een bospad de Côte de la Chalaide af te dalen naar Le Breuil. Op deze zuidelijke helling groeit en bloeit de Helleborus! We komen Tréveray vanuit het noorden binnen langs de Rue Raymond Poincaré.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Omdat we rond de klok van half twee bij Undine en Jean-Paul Roussel worden verwacht, lopen we eerst nog terug naar het sluisje in het Canal de la Marne au Rhin om de auto op te halen. We nemen aan het begin van het dorp naar links de Rue St. Hilaire. Door de Rue du Château komen we op het Place de la Gare. In een van de zijstraten zien we de Église St. Hilaire, waarvan het schip uit de 16e eeuw stamt en de klokkentoren uit de 18e eeuw. We komen langs het lavoir, de wasplaats, die hier in elk dorp te vinden is. Het is overduidelijk dat de hangjongeren van Tréveray hier een thuisbasis hebben gevonden: de muren zijn beklad met eigentijdse graffitti. Deze overdekte wasplaats kan beslist een opknapbeurt gebruiken. We steken de spoorbaan over, door de Rue du Moulin en langs de Ornain bereiken we de Rue des Ponts. Nog even naar links de D194 op en zo staan we dan weer op ons vertrekpunt. De wandelschoenen kunnen uit. Nog even schoonmaken. Het is een hele toer om het schoeisel te ontdoen van de modder. De oplossing is om de zolen van de schoenen even in het water van het kanaal te dompelen en dan met de bostel schoon te wrijven.

Van hier is het een paar minuten naar de Rue Raymond Poincaré, waar Undine en Jean-Paul ons allerhartelijkst ontvangen. De restauratie van hun huis vordert langzaam. Natuurlijk wordt alles goed bekeken en krijgen we uitleg bij wat er alweer is aangepakt. De tafel is gezellig gedekt en de overheerlijke Apfelstrudel met koffie of thee omlijsten de gesprekken. Toch kent gezelligheid ook tijd en tegen 16.00 uur nemen we afscheid.

De tijd die ons rest voor het avondeten, willen we besteden aan en bezoekje aan Commercy. Er moeten immers nog wat boodschappen gedaan worden. Via Boviolles en Saulx rijden we naar Commercy, waar we eerst vlug een sightseeing door het centrum. Even uitstappen bij het Château Stanislas, gebouwd op de overblijfselen van het oude ChâteauHaut uit de 14e eeuw en in de 18e eeuw verbouwd tot een indrukwekkend paleis door Stanislas Lesczynski, Duc de Lorraine. De voorzijde ligt aan het Place du Fer à Cheval. Dit hoefijzervormige plein ligt direct voor het centrale deel en de beide zijvleugels van het Château Stanislas met de oorspronkelijke, oude binnenplaats van het oude ChâteauHaut uit de 14e eeuw en opnieuw ingericht onder Charles Henri Prince de Vaudémont en Duc Stanislas. Het Place du Fer à Cheval opent naar het zuidwesten de lange rechte en brede Avenue Stanislas met uitzicht tot aan het Fôret van Commercy. Maar het is dit plein dat een geweldig zicht biedt op het Château Stanislas. Het was in 1744 dat Stanislas Leszczynski, Duc de Lorraine en schoonvader van koning Louis XV, het prinsdom van Commercy in bezit kreeg. Hij liet het kasteel vergroten en vooral verfraaien als woonzit en jachtslot door de architect Emmanuel Héré, die ook het beroemde Place Stanislas met aangrenzende gebouwen in Nancy ontwierp. De werkzaamheden werden in 1747 voltooid.

Om de bouw te realiseren is het primitieve feodale kasteel grotendeels verdwenen met uitzondering van enkele overblijfsels in de kelderverdiepingen. Ook de omwalling met robuuste torens, aanpassingen tijdens de vredige periodes onder Keizer Karel V, na de Dertigjarige Oorlog of de inname door de Fransen in 1652, moest wijken. De Kardinaal van Retz deed in 1662 aanpassingen door er een verdieping af te halen en Charles Henri Prince de Vaudémont liet in 1709 een groot deel van het Château en aangrenzende gebouwen afbreken om plaats te maken voor een klassiek bouwwerk naar ontwerpen van de architecten Boffrand, Dorbay en de benedictijner Abt Durand. En nog vlak voor Stanislas zijn verbouwing van het kasteel begon, bracht vanaf 1737 ElisabethCharlotte d'Orléans, genaamd "Madame Royale", weduwe van Leopold, de laatste hertog van Lotharingen nog enkele aanpassingen in het interieur van het kasteel aan.

Het Château Stanislas kreeg na de dood van Elisabeth-Charlotte d'Orléans en de komst van Stanislas Leszczynski in 1744 zijn huidige vorm. De centrale bouw met de beide zijvleugels bestaat uit twee verdiepingen. Het hoofdgebouw is in het midden uitgebouwd met 4 reusachtige Dorische zuilen, die op een fries het timpaan volgens klassieke stijl draagt. De zijvleugels die halfrond uitlopen met twee bogen welke vroeger toegang gaven tot de erachter gelegen stallen, nu woonwijken van de stad, dragen gebeeldhouwde versieringen vuurpotten en de trofeeën bekronen de balustrade, hoofden van herten en paarden sieren de bogen. Maar na de dood van Stanislas in 1766, liet Louis XV het meubilair verkopen en raakte het Château in verval. Tot 1940 had het een militaire bestemming en diende als kazerne voor verschillende regimenten en huisvesting van onderofficieren. Op 31 augustus 1944 bij de komst van de Amerikanen vernietigde een brand het kasteel. De brand greep zo snel om zich heen dat de brandweerlieden die op hetzelfde moment ook elders in het centrum ingezet waren, het gebouw niet konden redden. Er bleven slechts ruïnes. In 1957 besloot de Gemeentelijke Raad tot aankoop de ruïnes van het kasteel voor het symbolische bedrag aan Fr 1.000 en werd het kasteel geheel in zijn oude glorie herbouwd. Deze restauratie was in 1977 voltooid. Vandaag de dag doet het dienst als stadhuis en herbergt het de gemeentelijke bibliotheek en verschillende instellingen, waaronder het Office du Tourisme.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Op de Place des Chanoines, het voormalige oude Place Denis komen we langs de daarop centraal gelegen fontein in eigentijdse stijl van de Lotharingse kunstenaar Amilcar Zannoni. Het is een eerbetoon aan smeden en draadtrekkers die in vroegere tijden de ijzerindustrie draaiend hielden. Aan dit pleintje vinden we ook nog enkele authentieke cafés. Door het centrum langs de Place Charles de Gaulle rijden we naar een voor Marion wel heel bijzonder punt: de rotonde met “Les Vaches Bleues”. Hier staan midden op de RondPoint des Trois Godelles een drietal blauwe koeien. Godelle betekent in het oud Frans koe. Het is een opmerkelijk modern kunstwerk, dat veel gesprekstof heeft doen opwaaien in Commercy. Het verdient in elk geval meer aandacht dan er enkel en alleen onverschillig aan voorbij te rijden. Dat vind Marion in elk geval ook. De auto wordt aan de kant gezet en Marion en Charles beklimmen de rotonde, waar Marion op haar geheel eigen wijze de koeien begroet tot grote hilariteit van enkele Fransen, die de rotonde passeren. Charles legt dit vast op de gevoelige plaat. Die foto krijgt zeker een bijzonder plekje in Zevenbergen!

De Intermarchée is vlakbij en dan begint het grote inkopen. Kitty en Marion hebben de mannen goed geïnstrueerd en gedwee bekommeren zij zich over de boodschappenkarretjes. De dames lopen alle gangen door en bekijken het grote aanbod. Bert en Charles nemen de tijd om bij de wijnen rond te kijken en te vergelijken, de dames ruiken bij de kazen en de keuren de regionale producten, natuurlijk kan er niet voorbij gegaan worden aan de topinambour. Toch zijn de karretjes niet boordevol, maar wel genoeg om de auto bij het inpakken even te reorganiseren. Mee gaan kazen, olijfolie, augurkjes en vinigraitte en natuurlijk de onontbeerlijke mirabellensiroop.

Terug in St. Aubin-sur-Aire is het al bijna tijd om aan tafel te gaan en met dit diner zit er ons driedaags bezoek aan “La Douce France” bijna op. Verrassend bij het diner is het voorgerecht: Terrine de lapin en het hoofdgerecht knorhaan, roodbaars of in het Frans: Grondin. Na het kaasplankje is als dessert de verrassing een traditionele Gallette des Rois, ofwel Driekoningentaart met amandelspijs. Het is immers op 6 januari Driekoningen en in Lotharingen eet men dan deze Gallette des Rois. Hierin verstopt zit oorspronkelijk een boon. Wie deze treft wordt koning en krijgt een kroon. De traditie heeft deze boon vervangen door een kleinigheid. Charles is de gelukkige en vindt in zijn stuk taart een porseleinen beeldje van een visser, bij toeval ook zijn sterrenbeeld. Persoonlijk gekroond door Elizabeth Pothier zit hij dan vorstelijk bij de koffie met een stevige borrel. Bij het slapengaan komt de kroon op het nachtkastje.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Groot is de verrassing als we op de dag van vertrek wakker worden met een laagje sneeuw. Daar hadden we even niet op gerekend na twee prachtig, zonnige dagen. Dit betekent oppassen. En dat weten we ook meteen als we afscheid hebben genomen van Elizabeth en JeanMarie Pothier en op weg gaan naar Chonville. Op deze eerste 5 kilometers zijn er al twee auto’s die het spoor bijster zijn: een hangt er in het talud en voor Chonville ligt een jeep met de wielen omhoog!! Gelukkig is de weg vanaf Lerouville sneeuwvrij en kunnen we soepel de terugreis vervolgen. We kiezen voor dezelfde route als bij vertrek, dus via Verdun en met een koffiepauze in Bar L’Europe in Longyon. Aan de reactie te zien horen we al bijna bij de stamgasten. De Ardennen nog even door en in Maastricht een volgende stop om even wat te eten. Hier is het probleem een parkeerplaats te vinden. We besluiten door te rijden en ons geluk in Beek te beproeven. Ook dat kost enige moeite. In het plaatselijk restaurant treft Kitty nog bekenden uit Simpelveld. Haar dag is nu helemaal goed. Nog veilig naar huis en dan zitten de paar vakantiedagen er weer op. We nemen afscheid in Loon op Zand.

Marion en Bert rijden door naar Zevenbergen en weten dat nu de verbouwing weer moet worden opgepakt. Nog even aanpakken en hopen dat de afspraken worden nagekomen. Ze zitten immers al te lang in de rommel. Maar dit korte uitstapje heeft in elk geval voor gezelligheid en afleiding gezorgd

Charles Aerssens
14 januari 2006



Lange Afstand Wandelvereniging "VIA-VIA".

Gegenereerd op 14-02-2006 door C.P.J. Aerssens